#openup: Mijn therapeut zei me dat ik gek was geworden

Ik ben Iris. En ik ben gek. Tenminste, dat zei mijn therapeut.

Drie jaar geleden werd ik voor het eerst opgenomen in een kliniek. Die was antroposofisch. Zelf beschrijven ze dat als ‘een overtuiging waarbij het unieke van ieder mens centraal staat’. Voor mij betekende het vooral dat ik ’s nachts niet met een slaappil naar bed ging, maar met een doekje lavendelolie.

De inrichting had veel weg van een attractie in de Efteling. In de hoek van de woonkamer stond de seizoenstafel, die ieder kwartaal zorgvuldig werd versierd door verpleegkundige Elly. Niemand mocht eraan zitten. Daar kon ze niet tegen. Samen met een medecliënt verschoof ik iedere ochtend een van de vilten poppetjes een centimeter naar rechts. Ze merkte het altijd.

Iedere ochtend, na de dagelijkse spreuk over zonnestralen en boomwortels, was er een uitgebreid biodynamisch ontbijt. Daarna werd er gewerkt in de moestuin en geknutseld met vilt.

De ideale plek om weer helemaal tot rust te komen. Maar niet voor mensen zoals ik.

Het was hartje zomer en er moest worden schoongemaakt in de kliniek. Ik had de dweiltaak.

Onderweg naar het schoonmaakhok kwam Elly naar me toe. “Misschien moet je even een vest aantrekken. Sommige cliënten hebben geklaagd. We willen ze niet afschrikken, snap je?”

Ik begreep het wel. In de volle zon heb ik met lange mouwen de rest van de vloer gedweild. Af en toe trok ik me terug in mijn kamer om te kunnen afkoelen. Daar hoefde niemand naar mijn littekens te kijken.

Aan mijn problematiek rondom zelfbeschadiging werd verder weinig aandacht besteed. Als ik snijdrang had, kreeg ik pillen. Op een dag werkten die niet meer. Het ging mis.

Terug uit het ziekenhuis stond de psychiater al op me te wachten. Ik mocht mijn spullen gaan pakken. “Je hebt gesneden en nu moet je een dag naar huis”, zei hij. “Om de last te verdelen.”

Ik was woedend. Ik werd gestraft voor de stoornis die ik had. Boos heb ik mijn spullen gepakt. De vilten kabouter van de seizoenstafel heb ik in de keukenkast verstopt. Maar twee dagen later zat ik weer braaf naar de ochtendspreuk te luisteren.

Het besef dat er iets echt niet oké was, kwam pas een paar weken later. Mijn antidrang-pillen hadden wederom niet gewerkt. Radeloos vroeg ik om hulp bij een van de sociotherapeuten. Achteraf had ik dat beter niet kunnen doen.

“Ben je helemaal gek geworden?”, schreeuwde ze. “Wat denk je dat dit met de cliënten doet, en met de verpleging? Als je zo graag dood wil, moet je hier helemaal niet zijn. Je kunt hier niet langer blijven.”

Dat was mijn laatste dag in die kliniek. Ik was al het vertrouwen in de psychische gezondheidszorg in één klap kwijt.

Thuis ben ik woedende mails gaan schrijven naar vertrouwenspersonen en media. Ik heb ze nooit verstuurd. Ik durfde niet. Bang voor de reactie. Of eigenlijk: bang dat er helemaal geen reactie zou komen. Alsof iemand op mijn verhaal zit te wachten.

Inmiddels weet ik wel beter. Een maand geleden startte ik mijn blog. De verhalen die ik altijd voor mezelf hield, kon ik daarop kwijt. De reacties waren hartverwarmend. Mensen bedankten me omdat ze zich zo in mijn ervaringen herkenden. Ik wist te verwoorden wat zij al die tijd óók hebben gevoeld.

Mijn #openup bleek niet alleen een steun voor mezelf. Ik heb er talloze anderen mee geholpen. Ik had het niet durven dromen.

De gebruikte namen zijn om privacyredenen gefingeerd.

Meer ervaringsverhalen