Mijn verhaal doet er ook toe

Mijn gebruikersnaam is kratíste mou. Dat betekent 'knuffel me' in het Grieks.

Ik durf al sinds mijn geboorte mijn verhaal niet te doen, bang voor de meningen van anderen. Bang dat anderen het raar zullen vinden: de vuile was buiten hangen is immers niet niks. Bang dat mijn verhaal niemand boeit. Bang dat het niet erg genoeg is. Maar nu het eindelijk beter met mij gaat, wil ik dat mensen mijn verhaal lezen. Wil ik mijn verhaal vertellen. Omdat mijn verhaal er ook toe doet.

Mijn verhaal begint eigenlijk al toen ik jong was. Vroeger was ik altijd een erg stil, verlegen en vriendelijk meisje. Het was ook niet gek dat ik stil en vriendelijk was. Thuis ging het niet goed. Mijn moeder was in die tijd erg ziek. Mentaal. Ze deed vaak zelfmoordpogingen waar ik bij was, wat dan mijn schuld was, omdat ik iets verkeerd had gedaan. Vaak moest ik haar leven redden of haar de moed inspreken om door te gaan. Douchen deed ik maar één keer in de week, omdat het anders te duur zou worden. Vaak had ik ruzie, dan moest ik naar bed zonder eten of slapen op de grond. Naar bed zonder eten is niet zo erg zou je denken, maar het bericht erachter was dat ik het niet verdiende. Ik verdiende geen eten en ik verdiende geen bed. Ik dreef mijn ouders tot wanhoop. Als mijn vader thuiskwam, kreeg ik het van hem ook te horen. Hij geloofde in mijn moeder, de volle honderd procent. Hij had met het huwelijk beloofd er voor haar te zijn en daar hield hij zich aan. Op de basisschool werd ik gepest. Omdat ik stonk, omdat mijn haar er niet uit zag en omdat ik het accepteerde. Ik was een makkelijk doelwit en gaf van alles mijzelf de schuld.

Uiteindelijk zat ik in groep 7 en kwam na school de juffrouw naar mij toe, ze zei dat ze met me mee wilde lopen naar huis. We kwamen bij mij thuis aan en mijn moeder was aan het huilen. Er werd me verteld dat ik opgehaald zou worden om even ergens anders te wonen. Ik troostte mijn moeder, liet de hond uit en werd opgehaald door een mevrouw. Ik werd op een crisisopvang geplaatst, bij vrienden, weer op de crisisopvang en uiteindelijk op een leefgroep voor tieners. Op deze leefgroep zaten tieners die al een hoop meegemaakt hadden en zij leerden me dat hoe stoerder je deed, hoe meer je schreeuwde, hoe meer je jezelf pijn deed, hoe minder anderen je pijn konden doen. Ik kwam weer thuis. Deeltijds bij een pleegmoeder en deeltijds bij mijn vader. Mijn vader en moeder waren inmiddels gescheiden, mijn vader had zijn ogen geopend. Ik was niet meer hetzelfde meisje. Van binnen wel, maar van buiten niet. Toen ik naar de middelbare school ging, kreeg ik nieuwe vrienden. Vrienden waarvoor ik alles over had, omdat ik me vereerd voelde dat mensen mij aardig vonden en niet dood door mij wilden. Zij blowden, dus ik begon ook te blowen. Thuis had ik alleen maar ruzie met mijn vader. Hoe meer ruzie we kregen, hoe vaker ik weg bleef. Ik had eigenlijk heel veel liefde nodig, maar daar durfde ik niet om te vragen, dat verdiende ik niet in mijn ogen. Ik werd al gauw ontmaagd. Door meerdere jongens. Alleen omdat ik geen nee durfde te zeggen. Al gauw had ik wekelijks seks met jongens uit schuldgevoel. Ze hoefden maar een drankje voor me te kopen en ik voelde me schuldig genoeg om alles te doen. Ik begon mezelf steeds meer te haten. Om me goed te voelen over mezelf verzon ik zelfs verhalen zodat mensen me zouden vertellen door te zetten en dat ik sterk was. Eigenlijk begon ik steeds meer op mijn moeder te lijken, waardoor ik mezelf nog meer ging haten en nog meer ging liegen en zo ging de cirkel door. Een paar van mijn vrienden kwamen met harddrugs. Ik had er veel over gehoord, vooral over hoe gelukkig je er van zou worden en wilde het meteen proberen. Het was geweldig. Voor het eerst was ik zelfverzekerd, durfde ik mijn eigen mening te verwoorden en was ik echt gelukkig. Ik deed het steeds vaker. Tot het misging. Mijn vader kwam erachter en het crisisinterventieteam werd gebeld. Drie dagen later zat ik weer in een instelling. Eerst kon ik geen aansluiting vinden, ik werd buitengesloten door meiden en vaak zwartgemaakt. Zelfs bij de keel gegrepen, of bedreigd. Toen een paar van die meiden vertrokken, begon ik aan mezelf te werken. Ik kreeg intensieve traumabehandeling en het ging steeds beter met me. Tot het punt dat ik terug naar huis mocht. Maar.. Ik zou eerst naar een andere groep moeten, alleen als tussenstap. Daar op die groep begon het goed. Ik ging weer naar een normale school, maar ik vond het doodeng. Ik voelde me eenzaam en bang en begon al te blowen op de eerste dag, zodat ik me in mijn eigen wereld terug kon trekken. Ik wilde supergraag naar huis. Ik wilde niet na school op een groep komen, ik wilde een knuffel krijgen en iemand die me vertelde dat alles goed kwam. Niemand kon mij vertellen wanneer ik nou naar huis ging en ik kreeg het gevoel dat mijn vader me niet echt thuis wilde hebben en ik op die groep zou blijven wonen. Mijn moeder belandde in het ziekenhuis door een herseninfarct en toen besloot ik er met de pet naar te gooien. Ik zou niet naar huis gaan, was doodsbang voor school en kreeg soms paniekaanvallen en mijn moeder kon niks meer, waar ik enorm van schrok. Ik begon te spijbelen en nog meer te blowen. Toen werd de knoop doorgehakt door de groep waar ik woonde: Ik werd gesloten geplaatst. 's Nachts werd ik opgehaald door een busje en er brak iets in mij. Ik kon alleen nog maar huilen. In de gesloten instelling wilde ik alleen nog maar slapen, omdat ik in mijn dromen nog gelukkig was.

Uiteindelijk werd ik zelfs in mijn dromen depressief. Ik wilde weer naar buiten. Ik wilde nog steeds gewoon een knuffel van mijn vader en iemand die me vertelde dat het goed kwam, dat ik niet alleen was. Na een tijd kreeg ik antidepressiva. Mijn voogd zag dat gesloten niet voor mij werkte en kwam met een topidee. Ik zou op een boerderij geplaatst worden. Een werken-leren traject. Ik was er meteen voor. Ik hield van werken en wilde weg. Al snel kon ik bij de boerderij terecht. Het begon als een droom: lieve varkentjes, een bed met een zacht matras, normale mensen.. Zalig. Maar ik was te moe. Het werk was van half acht tot etenstijd. Na werk dook ik meteen in mijn bed. Ik kon ook niet snel werken. Alles was een soort vage illusie. De boerin was het er niet mee eens dat ik antidepressiva slikte, volgens haar was ik niet depressief, omdat ik heel vrolijk overkwam. Ik lachte veel en maakte veel grappen. Met de boerin kreeg ik daar zelfs ruzies over en toen mijn dosis verhoogd werd, weigerde ze me mijn medicatie nog te verschaffen. Dus kreeg ik het in eigen beheer. Zij en ik konden totaal niet met elkaar opschieten. Ze maakten opmerkingen als: "dus naar die instellingen gaat mijn belastingsgeld" en "mensen met psychische stoornissen moeten onvruchtbaar gemaakt worden". Ze werd boos omdat ik niet snel genoeg werkte, en sleurde me letterlijk uit bed als ik niet op tijd op werk was. Alles werd steeds zwaarder, tot er echt een wolk om mijn hoofd hing. Ik dacht dat ik gek werd. Alles ging in slow-motion. Ik zag telkens zwarte schimmen in mijn ooghoeken en hoorde vaak ineens mijn naam geschreeuwd worden of zag deuren opengegooid worden. Dit kwam door mijn angst voor de boerin. Elk moment dat ik alleen was barstte ik in tranen uit en ik verstopte me vaak tussen de varkens. 's Nachts ging ik soms naar de kraamstillen om met een biggetje te zitten en te zingen. Ik hield mezelf voor dat ik voor de biggetjes zong, maar eigenlijk was het om mezelf gerust te stellen. Uiteindelijk kreeg ik weer een ruzie met de boerin. Ze zei dat ze mijn voogd zou bellen om ervoor te zorgen dat ik niet meer naar huis mocht. Ik was enorm boos en ging naar mijn unit. Ik had een eigen mini-gebouwtje waar ik sliep. Ze vertelde me dat ik daar mocht blijven en haalde me ook niet meer voor het avond eten. De sleutel naar de kantine moest ik ook inleveren. 

Ik werd overgeplaatst naar de gesloten instelling waar ik zat vóór de boerderij. Toen kwam er iets bij mijn depressie. Haat en woede. Ik haatte de boerin. Ik haatte jeugdzorg. Ik haatte mijn vader, omdat hij mij die knuffels niet gaf. Ik kon alleen nog maar huilen of op de bank liggen, of met spullen smijten, of mezelf open halen. Ik bleef mijn verhaal doen, maar iedereen had het over: "dit is in jouw beleving zo gebeurd", "in jouw belevingswereld.." Niemand geloofde me. Mijn vader ook niet, om die reden verbrak ik het contact. Ik kreeg een andere antidepressiva. Ik werd er verdoofder van, maar toch kwam er af en toe een steekvlam van woede naar boven, waarbij ik mensen echt pijn wilde doen. Ik wilde sowieso de hele dag met spullen gooien. Of ik wilde een knuffel, bij de gedachte aan een knuffel begon ik altijd meteen te huilen. Ik wilde een kans krijgen, maar aangezien niemand mij geloofde, zou ik tot mijn achttiende gesloten blijven. Ik had niks te verliezen. Ik probeerde weg te lopen door over het hek te klimmen, het raam te slopen en weg te rennen van een begeleider. Alles leed tot geen succes.  Een tijd lang deed ik mijn best. Ik wilde een opleiding, een baan. Ik had een BBL-opleiding gevonden en een stageplek, maar had toestemming nodig van mijn voogd. Die nam precies toen ontslag. Een maand zat ik zonder voogd, en niks kon nog geregeld worden. Ik was er klaar mee. Op een dag mocht ik op onbegeleid verlof naar mijn moeder. Vanaf haar liep ik weg. Op een andere manier, dan de vorige keren. Ik ging naar een vriend die ik nog kende. Deze vriend haalde me over om de groep om de dag te bellen met een prepaidtelefoon vanuit een andere locatie en mijn ouders om de dag op de hoogte te houden door middel van whatsapp. Ik gebruikte ook een VPN en vertelde aan letterlijk niemand waar ik was. Ik werkte zwart zodat ik toch mijn eigen sigaretten kon betalen en begon weer een beetje op te leven.

Een nieuwe rechtszaak kwam. Met een nieuwe voogd. Mijn moeder ging er voor me heen en zij vertelde dat ik een nieuwe kans wilde om mezelf te bewijzen, er waren zelfs vrienden die mijn pleegouders wilden worden, dus een plek had ik ook. De voogd die mij niet kende stemde er mee in en de rechter sprak mij vrij. Ik was vrij. Ik ging bij mijn pleegouders wonen en kwam helemaal tot rust. In het begin dacht ik nog dat alles nep was, dat ik wakker zou worden en weer gesloten zou zitten. Dat droomde ik ook vaak. De jongen bij wie ik terecht kon werd mijn relatie. Ik begon te werken, meteen fulltime. Als het moeilijk werd dacht ik: "ik ben nu tenminste vrij", en dan kon ik weer door. Het duurde lang voordat mijn hoofd tot rust kwam. Voordat ik weer oprecht begon te lachen. Voordat ik me voor het eerst in heel mijn leven een normaal mens kon voelen. Mijn pleegouders luisterden naar mijn verhalen, hoe lang ze ook duurden, hoe diep ze ook waren. Ik kon alles kwijt en ik kreeg vertrouwen. Mijn pleegouders vertrouwden me en gaven me een knuffel als ik die nodig had. Daardoor ging ik niet weer de fout in. Ik had een echte tweede kans gekregen, die pakte ik aan. Geleidelijk aan trok mijn woede weg en ik was oprecht verbaasd dat het leven zo liep. Dat ik nog leefde. Dat ik het goede leven nog mee kon maken. Nu werk ik en woon ik deels bij mijn vriend en deels bij mijn pleegouders. Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest. Ik heb mijn diepste dal gekend en wil nu door. Naar mijn happy-ending, want die verdien ik. Ik ben niet gek. Ik ben een mens, die een hoop heeft meegemaakt. Ik ben het waard.

Meer ervaringsverhalen